Les verbes qui se conjuguent avec être et avoir

Franse grammatica (see all)

Want to improve your French? Test our online French lessons for free!

Les verbes qui se conjuguent avec être et avoir

Ter herinnering: In de passé composé worden werkwoorden vervoegd met een van de hulpwerkwoorden être of avoir.
Muriel Petite a mangé des grenouilles. Muriel Petite heeft kikkerbillen gegeten.
Victor Hugo est allé à Paris. Victor Hugo is naar Parijs gegaan.

De volgende 8 werkwoorden (en hun afgeleiden) kunnen worden vervoegd met zowel être als avoir:
Entrer (+ rentrer)
Sortir (+ ressortir)
Monter (+ remonter)
Descendre (+ redescendre)
Passer (+ repasser)
Retourner
Demeurer

Deze werkwoorden worden vervoegd met avoir als ze gevolgd worden door een lijdend voorwerp (un complément direct COD):
J’ai sorti les poubelles Ik heb het vuilnis buiten gezet.
Il a monté les escaliers. Hij is de trappen opgelopen.
Nous avons passé notre examen. We zijn geslaagd voor ons examen.
Le président a retourné sa veste. De president is als een blad aan een boom bijgedraaid.

We gebruiken het hulpwerkwoord être in alle andere gevallen (zonder complement, of met een complement dat een tijd, plaats et cetera beschrijft):
Je suis sorti. Ik ben uitgegaan.
Il est descendu de sa voiture. Hij is uit zijn auto gestapt.
Ils sont repassés hier matin. Ze zijn gisterochtend langsgekomen.
Le président est retourné en Suisse. De president is teruggegaan naar Zwitserland.



Still having difficulties with Les verbes qui se conjuguent avec être et avoir? Want to improve your French? Test our online French lessons and receive a free level assessment!


Do you have smart way of remembering Les verbes qui se conjuguent avec être et avoir? Share it with us!